Een arbeidsdeskundige of re-integratiebureau doet onderzoek en komt tot een duidelijke conclusie:

“Een tweede spoortraject heeft nauwelijks kans van slagen.”

Dan lijkt de keuze eenvoudig. Waarom zou je als werkgever tijd, geld en energie steken in een traject waarvan een deskundige vooraf al zegt dat het weinig kans maakt?

Toch zit daar een risico. Een haalbaarheidsonderzoek kan namelijk heel waardevol zijn, maar het is niet automatisch een vervanging voor het tweede spoor.

Wat doet een haalbaarheidsonderzoek eigenlijk?

Bij een haalbaarheidsonderzoek wordt bekeken welke mogelijkheden een werknemer buiten de eigen organisatie nog heeft.

Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar:

  • de belastbaarheid zoals vastgesteld door de bedrijfsarts;
  • opleiding en werkervaring;
  • het arbeidsdeskundig onderzoek;
  • mogelijke functies op de arbeidsmarkt;
  • praktische belemmeringen bij re-integratie.

Daaruit volgt vervolgens een inschatting: heeft een tweede spoortraject een reële kans van slagen?

Prima informatie om te hebben. Maar daar ontstaat ook meteen het misverstand.

Een kleine kans op succes betekent namelijk niet automatisch dat je niets meer hoeft te doen.

UWV kijkt naar inspanningen, niet alleen naar kansen

Bij de beoordeling van het re-integratieverslag kijkt UWV uiteindelijk naar wat werkgever en werknemer daadwerkelijk hebben gedaan.

De Werkwijzer Poortwachter is duidelijk over spoor 2: zodra structurele hervatting binnen de eigen organisatie niet meer in beeld is, moet een adequaat tweede spoortraject worden gestart. Rond het eerste ziektejaar gelden daarbij concrete termijnen en voorwaarden. Het begrip haalbaarheidsonderzoek geeft de werkgever daarbij geen aparte juridische vrijstelling. En dat vind ik eigenlijk heel logisch.

Want een onderzoek waarin staat dat iemand moeilijk bemiddelbaar is, is iets anders dan daadwerkelijk proberen iemand te bemiddelen.

Dat blijkt ook uit de rechtspraak

De Centrale Raad van Beroep kreeg al eens een zaak voorgelegd waarin een werkgever wél een haalbaarheidsonderzoek had laten uitvoeren. Conclusie van dat onderzoek: weinig tot geen passende mogelijkheden bij andere werkgevers. Vervolgens waren er geen concrete tweede spooractiviteiten uitgevoerd.

De Centrale Raad ging daar niet in mee. Alleen onderzoeken en daarover een rapport laten opstellen, kon in die zaak niet worden gezien als daadwerkelijke re-integratie-inspanning in spoor 2. De opgelegde loonsanctie bleef daardoor in stand.

Ook uit andere rechtspraak volgt dezelfde gedachte: zelfs wanneer de kansen op de arbeidsmarkt klein lijken, kan van een werkgever worden verwacht dat mogelijkheden daadwerkelijk worden onderzocht en benut. Re-integratie is immers vooral een inspanningsverplichting, geen garantie op een baan.

Heeft een haalbaarheidsonderzoek dan geen waarde?

Zeker wel. Ik zou het alleen anders gebruiken.

“Het onderzoek laat zien welke belemmeringen er zijn. Wat betekent dat voor onze volgende re-integratiestap?”

Daar zit voor mij de echte waarde. Een goed haalbaarheidsonderzoek kan helpen om een traject gerichter in te richten, verwachtingen te managen en vast te leggen waarom bepaalde keuzes worden gemaakt. Maar zodra je het rapport gebruikt om helemaal niets meer te doen, wordt het spannend.

Twijfel? Leg het aan UWV voor

Zijn de mogelijkheden echt minimaal en twijfel je of een tweede spoortraject nog zinvol of noodzakelijk is? Dan kan een deskundigenoordeel van UWV verstandig zijn. Werkgever en werknemer kunnen UWV onder andere vragen of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn. UWV gebruikt zo’n deskundigenoordeel later ook bij de beoordeling van het re-integratieverslag.

Daarbij wel een nuance: ook een deskundigenoordeel is een advies en geen garantie dat later nooit discussie kan ontstaan.

Conclusie

Een haalbaarheidsonderzoek kan absoluut nuttig zijn. Maar zie het vooral als informatie om betere re-integratiebeslissingen te nemen, niet als een juridisch schild tegen een tweede spoortraject.

Mijn belangrijkste advies?

Maak van een negatieve haalbaarheidsuitkomst geen eindstation.

Onderzoek welke inspanningen nog wél mogelijk zijn, leg keuzes goed vast en vraag bij serieuze twijfel tijdig een deskundigenoordeel aan. Want bij de RIV-toets telt uiteindelijk niet alleen wat er in een rapport stond.

UWV wil vooral kunnen zien wat je ermee hebt gedaan.

Samengevat:

  • Een haalbaarheidsonderzoek kan nuttig zijn, maar vervangt spoor 2 niet automatisch.
  • Ook bij geringe arbeidsmarktkansen kunnen concrete re-integratie-inspanningen nodig zijn.
  • Alleen een rapport laten opstellen kan bij de RIV-toets onvoldoende blijken.
  • Bij twijfel kan een deskundigenoordeel van UWV extra zekerheid geven.